Opinie: Het debat dat niemand voert

Begin oktober meldde de VRT dat de Vlaamse literaire canon een vernieuwde website krijgt, met kant-en-klaar lesmateriaal over vijftig klassiekers, van Mariken van Niemeghen tot Oeroeg. Een paar dagen later stond het artikel in de Facebookgroep Leraar Nederlands, en volgde de reactie die je kon zien aankomen. Vrij samengevat: hou op met dat voorschrijven, de tijd stelt andere eisen aan lezen, neerlandici moeten de middeleeuwen eens verlaten, want die route heeft niets opgeleverd.

Ik begrijp de ergernis. Maar wie het artikel naast de reactie legt, ziet iets vreemds. Hier botsen twee kampen die het over iets anders hebben dan ze denken. En op het punt waar het echt om zou moeten gaan, maken ze dezelfde fout.

Een canon die niemand voorschrijft

Laten we eerst kijken wat er werkelijk staat. De Vlaamse canon is een lijst van vijftig Nederlandstalige werken, samengesteld door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Hij wordt elke vijf jaar herzien. In de versie van 2025 staan bijna twee keer zoveel vrouwelijke auteurs als in de vorige, waaronder Anne Frank en Annie M.G. Schmidt.

Dat is geen voorschrift. Het is een aanbod, met lesmateriaal erbij, dat een docent kan gebruiken of laten liggen. En de middeleeuwen? Die zijn vertegenwoordigd, net als Multatuli, Van Ostaijen, Mulisch en Pluk van de Petteflet. Wie het woord “canon” leest en meteen leerlingen ziet die Karel ende Elegast moeten opdreunen, reageert op een beeld, niet op dit initiatief.

Het mooiste is de didactiek die de KANTL voorstelt. Samen lezen en bespreken, met aandacht voor wat de tekst met je doet. De Academie zegt met zoveel woorden dat literatuur geen leerstof moet zijn die je verwerkt. Daar zou de boze commentator het waarschijnlijk roerend mee eens zijn.

Waar de commentator een punt heeft

Toch zou ik de reactie niet te snel wegzetten. Het literatuuronderwijs waar ze zich tegen afzet, heeft echt bestaan. Een overzicht van stromingen, een rijtje jaartallen, een samenvatting van Max Havelaar die je van internet haalde omdat niemand vroeg wat het boek met je deed. In sommige lokalen bestaat het nog steeds.

En achter het verwijt zit een terechte zorg. Leesplezier is geen luxe, het is een van de beste voorspellers van of iemand later nog leest. Wie leerlingen afknapt op een verplicht boek, wint daar niets mee. Wie zegt dat literatuuronderwijs moet beginnen bij de lezer die voor je zit, heeft gelijk.

Alleen: precies dat zegt de KANTL ook. Het verschil zit niet in het doel, maar in de vraag welke teksten je daarvoor nodig hebt.

Twee claims, nul bewijs

Hier wordt het interessant. Beide kampen doen namelijk een uitspraak over wat werkt, en geen van beide onderbouwt die.

De commentator zegt dat de canonroute “zinloos gebleken” is. Gebleken waaruit? Een daling van de leesvaardigheid is nog geen bewijs dat een specifieke aanpak heeft gefaald. Zeker niet als die aanpak in de meeste klassen al lang niet meer dominant is. De afgelopen decennia kregen leerlingen eerder méér keuzevrijheid dan minder. Wie de daling toch aan “de canon” wil toeschrijven, moet uitleggen waarom die daling samenviel met het loslaten ervan.

Maar de KANTL doet hetzelfde in spiegelbeeld. Het artikel noemt de PISA-cijfers en zet daar meteen de nieuwe didactiek tegenover: de leescrisis keer je niet door de lat lager te leggen. Dat klinkt overtuigend. Het is ook een hypothese, geen resultaat. De cijfers dienen als decor voor het initiatief, niet als bewijs dat het werkt.

Literatuurliefhebbers moeten hier extra eerlijk zijn, want ze hebben een geschiedenis van overclaimen. De veelgeciteerde bevinding dat het lezen van literaire fictie je empathischer maakt, bleef bij herhaling van de experimenten niet overeind. Dat betekent niet dat literatuur niets doet. Het betekent dat “literatuur maakt betere mensen” geen argument is waarop je een curriculum bouwt.

Leesonderzoeker Roel van Steensel zei het na de jongste PISA-cijfers nuchter: de daling heeft niet één oorzaak. Dan heeft ze ook niet één oplossing. Niet de canon, en niet het afschaffen ervan.

En in Nederland?

Voor Nederlandse lezers is er een extra ironie. Wij hebben geen officiële literaire canon zoals de Vlaamse. Het examenprogramma schrijft een aantal te lezen werken voor, maar laat de keuze grotendeels aan school en leerling. Van voorschrijverij is hier dus nog minder sprake.

En toch dalen ook onze cijfers, harder zelfs. In PISA 2025 haalde 39 procent van de Nederlandse vijftienjarigen het basisniveau voor lezen niet, tegen ongeveer een derde in 2022. In Vlaanderen ging het volgens de VRT om bijna drie op de tien.

Twee taalgebieden, twee verschillende tradities rond de canon, en in beide dezelfde neerwaartse lijn. Dat maakt elke verklaring die met “de canon” begint of eindigt verdacht eenvoudig.

Overigens: in de nieuwe conceptexamenprogramma’s Nederlands gaat het over literaire teksten “uit heden en verleden” en over het gesprek over gezamenlijk gelezen teksten. Dat ligt dichter bij de Vlaamse didactiek dan bij het beeld uit de Facebookreactie.

Het debat dat we wél zouden moeten voeren

De vraag is dus niet: canon of geen canon. De vraag is wat literatuuronderwijs moet opleveren. Leesplezier? Het vermogen om een moeilijke tekst uit te houden? Een gedeeld cultureel geheugen? Scherper denken over mensen en hun keuzes? Dat zijn verschillende doelen, en ze vragen niet allemaal om dezelfde teksten.

Voor sommige doelen is een oude, vreemde tekst juist nuttig. Een middeleeuws mirakelspel dwingt je langzaam te lezen, perspectief te reconstrueren en ambiguïteit te verdragen. Dat zijn vaardigheden die een nieuwsbericht niet traint. Voor andere doelen werkt een hedendaagse roman die aansluit bij de leefwereld beter. Een goede docent kiest per doel, niet per kamp.

“De drempel laag, de lat hoog” is een mooie formule. Laten we haar behandelen als wat ze is: een hypothese die je in je eigen klas kunt toetsen. Lezen leerlingen na een periode van samen lezen meer? Begrijpen ze complexe teksten beter? Dat is te meten, al is het maar op kleine schaal.

Misschien hoeven neerlandici dus niet de middeleeuwen te verlaten. Wel de loopgraven.

En jij? Wat werkt in jouw lokaal, en hoe weet je dat?

Bronnen

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven