PISA-2025: wat er in het rapport staat en wat de koppen weglaten

Op 8 september verschenen de resultaten van PISA-2025. De berichtgeving concentreerde zich vrijwel volledig op één getal: 39 procent van de Nederlandse vijftienjarigen haalt het basisniveau lezen niet. Dat getal klopt, het is zorgwekkend, en het is niet het interessantste dat in het rapport staat.

Voor ons als docenten Nederlands zit de waarde ergens anders. De OESO heeft namelijk uitgezocht welk soort leestaken het hardst wegzakt, en dat antwoord raakt direct aan hoe wij lesgeven en toetsen. Deze bijdrage vat de bevindingen samen die voor het vak relevant zijn, inclusief de kanttekeningen die in vrijwel geen enkel nieuwsbericht terugkwamen.

Om welk rapport het gaat

PISA 2025 Results (Volume I): Future-Ready Students telt 377 pagina’s. Hoofddomein was dit keer natuurwetenschappen; lezen, wiskunde en een nieuw onderdeel “computational problem solving” zijn meegemeten. Wereldwijd deden ruim 760.000 leerlingen uit 91 landen mee, in Nederland ruim 6.600 leerlingen op 177 scholen. De Nederlandse uitvoering ligt bij het Expertisecentrum Nederlands, de Universiteit Twente en KBA Nijmegen.

De cijfers

DomeinNL 2025OESO2022 → 20252015 → 2025
Natuurwetenschappen485482−3−25
Leesvaardigheid441461−18−62
Wiskunde483463−9−34
Computational problem solving506500nieuwnieuw

Het patroon is scherper dan “het onderwijs gaat achteruit”. Nederland zit bij drie van de vier domeinen op of boven het OESO-gemiddelde. Alleen bij lezen zakken we er twintig punten onder. Van de 91 deelnemende landen presteren er 34 beter dan wij op lezen, 19 op natuurwetenschappen en slechts 9 op wiskunde. Binnen de vergelijkbare EU-landen doet alleen Griekenland het slechter op leesvaardigheid.

Even belangrijk is de bovenkant. Bij wiskunde behoort 13 procent van onze leerlingen tot de toppresteerders, waarmee Nederland tot de dertien landen hoort die boven de tien procent uitkomen. Bij lezen is dat 4 procent. We leveren nauwelijks nog uitzonderlijk sterke lezers af.

Hoeveel is 62 punten eigenlijk?

Punten op de PISA-schaal zeggen weinig zonder ijkpunt. Voor het eerst bevat dit rapport een schatting per land van de leerwinst die een vijftienjarige in één schooljaar boekt. Voor Nederland is dat 22,3 punten bij lezen. Onze leerwinst per jaar is dus volstrekt normaal; ter vergelijking, de Verenigde Staten komen op 12 punten.

Daarmee wordt de omrekening pijnlijk concreet:

  • De daling van 62 punten sinds 2015 komt neer op ongeveer 2,8 leerjaren leesvaardigheid.
  • Het verschil van 35 punten tussen meisjes (459) en jongens (424) komt neer op ongeveer 1,6 leerjaar.

Merk op dat de eerste daling tien jaar beslaat en niet drie. De discussie gaat vaak over corona, maar de knik ligt duidelijk vóór 2020.

Het gemiddelde bestaat niet

Dit is het punt dat in de landelijke berichtgeving structureel sneuvelt. Het cijfer 441 beschrijft geen gemiddelde leerling. Het is het gewogen gemiddelde van een vwo dat internationaal uitstekend meekomt en een vmbo dat er ver onder zit.

Het internationale rapport splitst niet uit naar schoolsoort; dat doet alleen het Nederlandse nationale rapport. Ter oriëntatie de laatst beschikbare cijfers, uit PISA-2022: vwo 569, havo 511, vmbo-tl 416, vmbo-kader 363, vmbo-basis 324. Het EU14-gemiddelde lag toen op 480. Voor 2025 is gemeld dat de leesprestaties binnen vmbo, havo én vwo verder zijn gedaald; de precieze cijfers per leerweg volgen in het nationale rapport.

Wie deze getallen naast elkaar legt, ziet dat “de leesdaling” op het vwo een aandachtspunt is en op vmbo-basis en -kader de kern van het curriculum. Sectiebeleid dat dat onderscheid niet maakt, helpt beide groepen niet.

Welk soort leesvaardigheid verdwijnt

Hier wordt het rapport vakinhoudelijk interessant. De daling is namelijk niet uniform over taaktypes verdeeld.

Het sterkst zakten taken met lange teksten en taken waarbij leerlingen moeten evalueren, reflecteren en informatie uit meerdere bronnen combineren. Het minst gedaald zijn taken waarbij één stuk informatie moet worden opgezocht. De OESO merkt daarbij op dat juist die laatste categorie op te lossen is met gerichte, oppervlakkige omgang met de tekst.

Daarnaast staan er drie observaties in die samen een beeld opleveren:

  • Het aandeel “hasty readers” — leerlingen die snel én fout antwoorden op de vlotheidsitems — is bijna verdubbeld, van 6,6 procent in 2018 naar 11,4 procent in 2025. Het aandeel accurate, vlotte lezers daalde met zeven procentpunt.
  • Leerlingen slaan minder vaak over en gokken vaker. Het aandeel niet-bereikte items daalde terwijl het aandeel snelle foute antwoorden steeg.
  • De prestaties zakken sterker aan het eind van de toets dan aan het begin.

Wat hier wegvalt is niet zozeer het decoderen, maar het volhouden. Aandacht vasthouden bij een lange tekst, een betoog over meerdere pagina’s meenemen, niet na drie alinea’s naar het antwoord grijpen.

De ongemakkelijke vraag

En daarmee komen we bij iets wat ik liever niet zou opschrijven.

Ons centraal examen leesvaardigheid bestaat grotendeels uit lokaliseer- en interpreteervragen. Onze examentraining is daarop geoptimaliseerd, en terecht: we bereiden leerlingen voor op een examen dat bestaat en waarop ze worden afgerekend. Veel van ons leren leerlingen bovendien expliciet om de tekst niet integraal te lezen, maar gericht te zoeken vanuit de vraag. Dat is een efficiënte strategie voor dit examen.

Het is alleen precies de taaksoort die volgens PISA het minst is gedaald, juist omdat hij met gericht scannen op te lossen is. We optimaliseren dus voor het deel van leesvaardigheid dat toch al overeind bleef, terwijl het andere deel instort.

Dat is geen argument tegen examentraining. Het is een argument tegen de aanname dat CSE-leesvaardigheid en leesvaardigheid hetzelfde zijn. En het is een concrete vraag voor elke sectie: waar in ons PTA leest een leerling daadwerkelijk een tekst van meer dan twee pagina’s tot het eind?

Vier kanttekeningen

Deze staan niet in de krant, maar horen bij een eerlijke lezing.

1. Achter “Netherlands” staat in het hele rapport een asterisk. Wij haalden drie steekproefstandaarden niet. Het uitsluitingspercentage was 9,3 procent waar de norm maximaal 5 is; de schoolrespons 66 procent vóór vervanging (88 procent erna, norm 85); de leerlingrespons 78 procent bij een norm van 80. De OESO schat dat dit het gemiddelde tot ongeveer elf punten kan vertekenen, en noemt Nederland in één adem met landen waar sprake is van opwaartse vertekening. Het rapport vermeldt bovendien dat de respons verschilde per onderwijsniveau en leerjaar. Vrij vertaald: de leerlingen die het slechtst lezen doen het vaakst niet mee aan een toets zonder cijfer. Het werkelijke beeld is dus eerder somberder dan rooskleuriger.

2. Motivatie en vaardigheid lopen door elkaar. De OESO meldt zelf dat leerlingen in 2025 minder inspanning rapporteerden dan in 2018 en 2022, dat de prestaties later in de toets harder zakken, en dat leerlingen vaker snel gokken. Over de hasty readers schrijft het rapport letterlijk dat hun prestatie moeilijk te interpreteren is, omdat die zowel op ontbrekende basisvaardigheden als op gebrek aan aandacht kan wijzen. PISA is een toets zonder cijfer en zonder gevolgen. Een deel van wat als vaardigheidsdaling wordt gepresenteerd, kan een motivatiedaling zijn. Dat is niet minder zorgelijk, maar wel iets anders, en het vraagt een ander antwoord.

3. De verklaringen zijn correlaties op landniveau. Het rapport voert een reeks verbanden op (nieuwsgierigheid r = 0,54; “school is tijdverspilling” r = 0,53; bedreiging door medeleerlingen r = −0,63). Dat zijn correlaties tussen landgemiddelden over enkele tientallen datapunten. De OESO zegt er netjes bij dat het niet causaal is, maar plaatst ze wel in een kader met de kop “wat verklaart de daling”.

4. Het tegenwicht is zwakker dan het op het eerste gezicht lijkt. Het rapport bevat een kader waarin PISA aan het volwassenenonderzoek PIAAC wordt gekoppeld, met als uitkomst dat Nederlandse cohorten hun geletterdheid ná hun vijftiende blijven ontwikkelen, over de hele prestatieverdeling. Dat klinkt geruststellend, maar er zijn drie redenen om er niet te veel gewicht aan te geven.

Ten eerste de opzet. De analyse volgt geen individuen: ze vergelijkt de PISA-2009-cohorte met volwassenen geboren in 1992-94, gemeten in PIAAC-cyclus 1 (2011-12) en cyclus 2 (2023). Het gaat dus om verschillende steekproeven, twee verschillende instrumenten en een omrekening van de PISA-leesschaal naar de PIAAC-schaal. De OESO waarschuwt zelf dat beide onderzoeken verschillen in doelpopulatie, afnamesituatie en toetsontwerp.

Ten tweede het startpunt. Die cohorte scoorde op haar vijftiende 508 op PISA-lezen. Wij staan nu op 441, 67 punten lager. Of dezelfde naschoolse groei optreedt bij een cohort dat zoveel lager begint, is een open vraag.

Ten derde laat het rapport zelf zien dat die groei niet universeel is. In Chili haalde meer dan tien procent van de dertigjarigen een score die hen op hun vijftiende in het onderste deciel zou hebben geplaatst: bij zwakke lezers ging de geletterdheid dus juist achteruit. In Hongarije en Korea zakte de onderkant van de verdeling richting dertig, terwijl de bovenkant doorgroeide. Dat is ook logisch, want ontwikkeling na je vijftiende loopt grotendeels via vervolgonderwijs, werk en dagelijks gebruik, en dat mechanisme werkt het best voor wie al kan lezen.

De conclusie van de OESO luidt dan ook dat vaardigheden na het vijftiende jaar niet vastliggen, en dat kan beide kanten op. Wat je hieruit mag afleiden is dat vijftien geen eindstation is, niet dat het vanzelf goedkomt.

En de schermen?

Kort, omdat het onvermijdelijk ter sprake komt. Matig gebruik van digitale apparaten voor leren op school hangt samen met betere prestaties; intensief gebruik en gebruik voor vrije tijd tijdens schooltijd met duidelijk slechtere. Meer dan een op de vier leerlingen zegt dat klasgenoten in de meeste of alle lessen worden afgeleid door apparaten.

Telefoonverboden hangen samen met minder afleiding, maar niet met betere prestaties: leerlingen op scholen met zo’n beleid scoren gelijk of lager. En leerlingen die AI-chatbots gebruiken voor concrete taken zoals samenvatten scoren gemiddeld lager dan niet-gebruikers, al kan dat evengoed betekenen dat wie vastloopt eerder naar een chatbot grijpt. PISA kan dat onderscheid niet maken.

Tot slot

Het rapport zelf trekt een conclusie die ik hier graag overneem, omdat hij minder over beleid gaat dan over ons vak: digitale geletterdheid begint niet bij apparaten, maar bij het vermogen om te concentreren, te interpreteren en te redeneren, en dat vermogen hangt samen met de gewoonte van diep lezen. Frankrijk heeft leesvaardigheid en literatuur opnieuw als kerncompetentie in het curriculum gezet; in Singapore blijven leerlingen ondanks de high-tech klaslokalen substantieel met papieren teksten werken.

Of dat werkt, weten we over drie jaar. Wat we nu weten is preciezer dan “de leesvaardigheid daalt”. Het is: de bereidheid en het vermogen om lang bij een tekst te blijven daalt, het hardst bij jongens en het hardst in het vmbo, terwijl het examen dat vermogen nauwelijks toetst.


Correctie, 9 september 2026: naar aanleiding van een terechte opmerking is kanttekening 4 herschreven. In de oorspronkelijke versie werd de PISA-PIAAC-koppeling te stellig als tegenwicht gepresenteerd, zonder de beperkingen van de pseudo-cohortopzet en zonder het hogere startpunt van de vergeleken cohorte.

Bronnen

  • OECD (2026). PISA 2025 Results (Volume I): Future-Ready Students. OECD Publishing, Parijs. https://doi.org/10.1787/73451bc5-en
  • Universiteit Twente, Expertisecentrum Nederlands & KBA Nijmegen (2026). Persbericht bij PISA-2025, 8 september 2026.
  • Het volledige Nederlandse rapport en de interactieve infographic verschijnen op www.pisa-nederland.nl.
  • Cijfers per schoolsoort zijn ontleend aan PISA-2022 en dienen ter oriëntatie tot het nationale rapport van 2025 beschikbaar is.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven