De koppen waren niet mis te verstaan: de acceptatie van homoseksualiteit onder scholieren is “gekelderd”. Dat klopt. Maar wie het volledige HBSC-rapport van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut leest, ziet een genuanceerder beeld. Voor ons als docenten is dat beeld ook bruikbaarder.
De cijfers
Het HBSC-onderzoek vraagt sinds 2009 elke vier jaar naar de houding van scholieren tegenover homoseksualiteit. In het najaar van 2025 vulden ruim 5.100 leerlingen van 12 tot en met 16 jaar in het voortgezet onderwijs de vragenlijst in, plus ruim 1.500 leerlingen uit groep 8.
Aandeel leerlingen in het voortgezet onderwijs met een positieve houding
| 2009 | 2013 | 2017 | 2021 | 2025 | |
|---|---|---|---|---|---|
| Jongens | 22% | 41% | 45% | 40% | 22% |
| Meisjes | 46% | 68% | 71% | 78% | 51% |
Bij jongens staan we dus precies weer op het niveau van 2009. Het aandeel leerlingen dat denkt dat een homoseksuele klasgenoot op school eerlijk kan zijn over zijn of haar geaardheid, daalde van 60 naar 45 procent.
Wat de koppen missen
Niet positief is niet hetzelfde als negatief. De houding is gemeten met drie stellingen:
- “Homoseksuele jongens en lesbische meisjes mogen mijn vrienden zijn.”
- “Ik vind het vies als twee jongens met elkaar zoenen.”
- “Ik vind het vies als twee meisjes met elkaar zoenen.”
Wie gemiddeld duidelijk instemmend antwoordt, telt als positief. Dat geldt voor 37 procent van de middelbare scholieren. Maar slechts 15 procent heeft een duidelijk negatieve houding. De grootste groep zit daartussen: neutraal, twijfelend of ambivalent. Dat is geen verloren terrein. Het is juist de groep waar het gesprek nog open is.
Het gaat om zoenen tussen jongens of tussen meisjes, niet om zoenen in het algemeen. 46 procent van de middelbare scholieren vindt het vies als twee jongens zoenen. Bij een jongen en een meisje is dat 11 procent. Volgens de onderzoekers is dat “vies”-gevoel vooral gegroeid bij zoenen tussen mensen van hetzelfde geslacht. Dit is dus geen algemene preutsheid.
De daling begint al op de basisschool, ook bij meisjes. In groep 8 daalde het aandeel meisjes met een positieve houding van 73 naar 52 procent. Wie de daling alleen toeschrijft aan jongens die naar Andrew Tate kijken, mist dus een deel van het verhaal.
Migratie verklaart de daling niet. Leerlingen met een migratieachtergrond zijn gemiddeld minder vaak positief (31 tegen 40 procent). Maar de daling is in beide groepen zichtbaar, en hun aandeel in het onderzoek is gelijk aan dat in 2021. De onderzoekers schrijven letterlijk dat hun data die verklaring “niet ondersteunen”.
Het schoolniveau maakt veel uit.
| vmbo-b/k | vmbo-g/t | havo | vwo | |
|---|---|---|---|---|
| Positieve houding | 28% | 31% | 38% | 46% |
| Denkt dat een homoseksuele leerling open kan zijn | 29% | 38% | 49% | 58% |
In een gemiddelde vmbo-b/k-klas denkt dus minder dan een derde van de leerlingen dat een homoseksuele klasgenoot eerlijk kan zijn over wie hij of zij is. Daar kun je niet omheen als je in zo’n klas voor het bord staat.
Er is ook reden voor hoop. Van de 12-jarigen is 32 procent positief, van de 16-jarigen 47 procent. Dat is geen garantie, maar het wijst erop dat groepsdruk in de eerste jaren van de middelbare school zwaar weegt, en dat die druk kan afnemen.
Waarom?
De onderzoekers zijn voorzichtig. Ze wijzen op een maatschappelijk klimaat waarin seksuele diversiteit en genderdiversiteit vaker ter discussie staan:
- onrust rond seksuele voorlichting op scholen;
- weerstand tegen regenboogvlaggen en Paarse Vrijdag;
- politici en bekende Nederlanders die zich kritischer uitlaten;
- algoritmes die jongeren steeds hetzelfde soort content voorschotelen;
- de manosfeer.
Uit ander onderzoek dat zij aanhalen blijkt dat 38 procent van de docenten wekelijks of vaker negatieve uitspraken van jongens hoort over transgender, non-binaire of homoseksuele mensen.
Dat laatste zal veel collega’s bekend voorkomen. Maar de onderzoekers zeggen er eerlijk bij dat nog onvoldoende is onderzocht of die blootstelling de opvattingen van jongeren ook echt verandert. Wie stellig beweert dé oorzaak te kennen, weet meer dan de onderzoekers zelf.
Wat werkt volgens het rapport?
De aanbevelingen zijn nuchter:
- Maak seksuele diversiteit een vanzelfsprekend onderdeel van de lessen, niet een apart evenement.
- Gebruik persoonlijke verhalen die inleving stimuleren.
- Laat jongens positieve mannelijke rolmodellen zien.
- Pak kleine opmerkingen direct aan. De “piramide van geweld” laat zien dat uitsluiting meestal begint met ogenschijnlijk onschuldige grappen.
Dat woord “vanzelfsprekend” vind ik de kern. Een verplichte respectles of een campagnedag voelt voor pubers al snel als een moreel standje. Pubers zetten zich graag af tegen wat volwassenen hun opleggen. Een tekst, een personage of een taalkwestie die gewoon in de les voorkomt, roept die weerstand niet op.
Wat kun je als docent Nederlands?
Hier hebben wij een voordeel: ons vak gaat over taal, teksten en argumenten, en daar zit dit onderwerp middenin.
1. Maak taal zelf het onderwerp. Waarom is “homo” een scheldwoord en “hetero” niet? Hoe wordt een neutraal woord een belediging? Waarom vinden leerlingen “dat is zo gay” een normale uitdrukking? En waarom roept iemand “transformers” als het over transgenders gaat? Dat is betekenisverschuiving, woordspel en groepstaal: gewoon lesstof. Je hoeft niet te preken. Je laat leerlingen zelf ontdekken wat woorden doen. Dat voelt voor hen niet als een standje, maar als een analyse.
2. Kies teksten met personages, niet met boodschappen. Bij leesvaardigheid of literatuur kun je teksten kiezen waarin een homoseksueel personage gewoon voorkomt, zonder dat het verhaal erover gaat. Het rapport noemt persoonlijke verhalen als effectieve route. Fictie is een persoonlijk verhaal waar je als lezer in stapt.
3. Gebruik het debat voor argumentatieleer. Online zie je stellingen als deze: “Objectief gezien heeft de tijd bewezen dat hoe harder men gaat doordrammen, hoe lager de acceptatie wordt.” Dat is een prachtige oefentekst. Laat leerlingen vragen beantwoorden als:
- Is dit een feit of een mening?
- Welke oorzaak wordt verondersteld, en is die aangetoond?
- Wat wordt precies bedoeld met “doordrammen”?
- Welke gegevens zouden deze stelling kunnen weerleggen?
Zo oefenen ze met argumentatie en drogredenen, en ze leren kritisch naar dit onderwerp kijken zonder dat jij een standpunt oplegt. Je kunt dezelfde oefening ook doen met een stelling uit de andere hoek, dan is het eerlijk.
4. Stel in het moment kort een grens, en voer het gesprek later. Als er in de klas iets geroepen wordt, werkt een korte, rustige grens beter dan een uitleg voor de hele klas: “Zo praten we hier niet over mensen.” Een lange uitleg geeft de roeper een podium en een reden om zijn gezicht te redden. Het inhoudelijke gesprek voer je daarna onder vier ogen, nieuwsgierig in plaats van beschuldigend: “Waar heb je dat gehoord?” Vaak blijkt de leerling vooral een meme te herhalen.
Vergeet ook niet wie er nog meer luistert. De kans is groot dat er in je klas een leerling zit die twijfelt over zijn of haar geaardheid. Die leerling onthoudt misschien niet wat je zei, maar wel óf je ingreep.
Kader: romans voor in de klas
Boeken waarin homoseksualiteit een rol speelt, van klassieker tot recent. Met dank aan de collega’s die titels aandroegen.
Onderbouw en vmbo
Heartstopper – Alice Oseman (graphic novel, vanaf ca. 12 jaar) Charlie en Nick worden op een Engelse jongensschool vrienden, en meer dan dat. Licht, warm en toegankelijk, ook voor minder sterke lezers. Door de Netflix-serie kennen veel leerlingen het al, en dat verlaagt de drempel.
De trimbaan – Imme Dros (1987) Filip volgen we van zijn vierde tot ongeveer zijn zestiende. Langzaam beseft hij dat hij verliefd is op zijn vriend Rogier. Ingetogen, met veel dialoog en veel ruimte voor de lezer. Interessant om naast een recent boek te leggen: wat is er sinds 1987 veranderd, en wat niet?
Koning Valentijn – Tim Gladdines (2020, vanaf ca. 12 jaar) Benjamin zit in 2 havo, heeft geen vrienden en kijkt op naar zijn populaire broer Valentijn. Tot hij diens geheim ontdekt. Een verhaal over identiteit en geaardheid, gezien door de ogen van een broer die het lang niet begrijpt.
Een regenboog in mijn kast – Dolf Verroen (2024, vanaf ca. 13 jaar) Jasper (13) is thuis uit de kast, op school nog niet. In de zomervakantie vertelt klasgenoot Menno dat hij in transitie wil. Een kort boek over ontdekken wie je bent, en over grenzen stellen en respecteren.
Tip: Gebr. – Ted van Lieshout (1996) Luuk leest het dagboek van zijn overleden broer Marius en ontdekt wie zijn broer werkelijk was. Een van de bekendste Nederlandse jeugdboeken over dit onderwerp.
Bovenbouw en leeslijst
Confettiregen – Splinter Chabot (2020) Wobie groeit op in een warm en accepterend gezin, en worstelt toch jarenlang met zijn geaardheid. Pas als student in Amsterdam komt hij uit de kast. Deels autobiografisch en in eenvoudige taal geschreven. Juist dat gegeven maakt het interessant voor een klassengesprek: waarom is uit de kast komen moeilijk, zelfs als je omgeving het goed vindt?
Stenen eten – Koen Caris (2021) Ben zit in zijn eindexamenzomer en wil vooral weg uit zijn dorp. Een groep jongeren begint met steeds gevaarlijkere rituelen rond de dood van zijn zus, drie jaar eerder. Ondertussen ontdekt Ben zijn gevoelens voor klasgenoot Tom. Een spannende coming-of-age over verlies, schuld en groepsdruk. Won de Hebban Debuutprijs.
Buitenleven – Nina Polak (2022) Rivka en Esse ruilen Amsterdam in voor het dorp Onderweer, in de hoop hun relatie te redden. Een psychologische roman met een thrillerachtige opbouw, verteld vanuit beide vrouwen. Het enige boek in dit rijtje waarin een relatie tussen twee vrouwen centraal staat, en een van de weinige waarin het niet om uit de kast komen draait.
Tot slot
De cijfers zijn zorgwekkend, maar niet hopeloos. De grootste groep leerlingen is niet vijandig maar onzeker. Die groep volgt de norm die om haar heen wordt gesteld, en een belangrijk deel van die norm wordt nog altijd in het klaslokaal gezet. Niet met campagnes, maar met hoe we reageren, welke teksten we kiezen en hoe we over taal praten.
Bron: De Looze, M., Kapitein, M., van Dorsselaer, S. e.a. (2026). HBSC 2025. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland. Utrecht: Universiteit Utrecht en Trimbos-instituut. Hoofdstuk 7 en nabeschouwing.
