In september 2025 voerde Vlaanderen een algemeen smartphoneverbod in op middelbare scholen. Een jaar later publiceerden onderzoekers van de Universiteit Gent een eerste evaluatie. De conclusie klinkt ontnuchterend: leerlingen gebruiken hun telefoon op school minder, maar verder wordt er niets beter. Sommige dingen worden zelfs iets slechter.
Wie in Nederland voor de klas staat, fronst misschien. Veel collega’s zien sinds het verbod juist meer gepraat in de pauzes, en hier en daar een kaartspel of een schaakbord. Wie heeft er gelijk? Het eerlijke antwoord: waarschijnlijk allebei, en dat is interessanter dan het klinkt.
Het onderzoek
De onderzoekers ondervroegen leerlingen van twintig Vlaamse scholen in mei-juni 2025, vlak vóór het verbod, en opnieuw in mei-juni 2026. Ze vergeleken steeds leerlingen uit hetzelfde leerjaar: eerstejaars van vóór het verbod met eerstejaars van erna, enzovoort. Ze corrigeerden voor geslacht, onderwijsvorm en nationaliteit. Het ging in totaal om ruim 7.400 ingevulde vragenlijsten.
Een selectie van de uitkomsten
| Uitkomst | Verschil na het verbod | Grootte |
|---|---|---|
| Telefoongebruik tijdens schooluren | −0,29 | klein tot matig |
| Telefoongebruik in de pauze | −0,34 | klein tot matig |
| Telefoongebruik buiten schooluren | +0,15 | klein |
| Totaal gebruik op een schooldag | 0,00 | geen verschil |
| Eigenaarschap over de regels | −0,25 | klein |
| Ervaren controlerende communicatie | +0,17 | klein |
| Afleiding tijdens het studeren thuis | +0,17 | klein |
| Afleiding in de les | +0,09 | zeer klein |
| Praten met anderen in de pauze | +0,03 | geen verschil |
| Samen niets doen in de pauze | +0,10 | zeer klein |
| Cyberpesten | +0,06 | zeer klein |
| Welbevinden | −0,05 | geen verschil |
De getallen zijn gestandaardiseerde verschillen. Vuistregel: 0,2 is een klein effect, 0,5 een middelmatig effect en 0,8 een groot effect.
Het verbod werkt dus in de zin dat het wordt nageleefd. Maar de totale schermtijd op een schooldag blijft gelijk: wat leerlingen op school niet gebruiken, halen ze thuis in. Ze staan ook minder achter de regels, en ze ervaren hun docenten als dwingender.
Wat het onderzoek goed doet
Dit is geen haastige peiling. De onderzoekers vergelijken hetzelfde deel van het schooljaar en hetzelfde leerjaar, zodat seizoen en leeftijd de vergelijking niet vertekenen. Ze corrigeren voor het feit dat ze veel dingen tegelijk toetsen, iets wat veel onderzoek vergeet.
Ze gebruiken ook een slimme controle. Als het telefoongebruik alleen op schooldagen stijgt en niet in het weekend, wijst dat op compensatie voor het verbod, en niet op een algemene trend. En ze zijn eerlijk over hun beperkingen: die staan er gewoon in.
Wat de samenvatting overdrijft
Het rapport opent met zes kernboodschappen. Daarin staat bijvoorbeeld dat buiten school geen verbetering merkbaar is, “eerder het omgekeerde”. Kijk je naar de tabel, dan gaat het om verschillen van 0,06 en 0,07. Dat is een tiende van wat als klein effect geldt.
Hier zit een valkuil die we uit het nieuws kennen: significant is niet hetzelfde als belangrijk. Met duizenden leerlingen wordt vrijwel elk minuscuul verschil statistisch significant. Dat betekent alleen dat het verschil waarschijnlijk niet op toeval berust. Of het ertoe doet, zegt het niet. De onderzoekers waarschuwen daar zelf voor, maar hun samenvatting leest stelliger dan hun tabel.
De eerlijke samenvatting is: het verbod haalt de telefoon uit de school, en verder verandert er één jaar later weinig meetbaars. Dat is ontnuchterend genoeg. Het hoeft niet mooier of lelijker te worden gemaakt.
Wat het onderzoek niet kan
Er is geen controlegroep. Alle Vlaamse scholen kregen het verbod tegelijk. Alles wat er tussen 2025 en 2026 verder veranderde, valt dus samen met het verbod. De weekendcontrole helpt, maar is niet waterdicht: bij eerstejaars steeg het telefoongebruik in het weekend óók significant.
Het gaat om zelfrapportage. Afleiding in de les is gemeten met één stelling: “Ik vind het moeilijk aandachtig te zijn tijdens de lessen.” Er zijn geen observaties en geen oordelen van docenten.
De steekproef verschuift. Scholen kozen zelf welke leerlingen meededen. In 2026 zaten er half zoveel eerstejaars en twee keer zoveel zesdejaars in de groep.
De onderzoekers kijken door een bepaalde bril. De onderzoeksgroep is gespecialiseerd in de zelfdeterminatietheorie, die voorspelt dat opgelegde regels het eigenaarschap ondermijnen. Dat vinden ze ook. Er is een alternatieve verklaring: een leerling die het verbod onzin vindt, ervaart de docent die het handhaaft vanzelf als dwingender. Het rapport erkent dat de verbanden in het model geen oorzaak-gevolg bewijzen.
Het is een momentopname. Eén jaar na invoering zit iedereen nog midden in de aanpassing. De onderzoekers zeggen dat zelf ook, en groot Amerikaans onderzoek geeft ze gelijk (zie hieronder). Juist het eerste jaar lijkt het moeilijkste.
Het praten in de pauze
Dit is de uitkomst die Nederlandse docenten het meest verbaast. Drie kanttekeningen:
- Er was weinig ruimte voor groei. Leerlingen scoorden vóór het verbod al rond de 4,1 op een schaal van 1 tot 5 bij “Ik praat met anderen”. Veel hoger kan nauwelijks.
- De vraag meet frequentie. Het rapport vraagt hóé vaak leerlingen praten, niet hoe lang, met hoeveel mensen of hoe levendig.
- “Samen niets doen” steeg wel. Wat een leerling in een vragenlijst “samen niets doen” noemt, ziet een docent die langsloopt misschien als gezellig rondhangen en kletsen.
Belangrijker nog: het aanbod aan activiteiten in de pauze daalde op de Vlaamse scholen. Ze zetten hun energie in handhaving, niet in een alternatief. Liggen er op jouw school kaarten en schaakborden, dan weerleg je het Vlaamse onderzoek niet. Je bevestigt eerder de belangrijkste les ervan.
En in Nederland, Noorwegen en de VS?
Nederland voerde op 1 januari 2024 een landelijke afspraak in: geen telefoons in de klas, tenzij voor educatief gebruik. Scholen vullen zelf in hoe ver ze gaan. In de evaluatie van het Kohnstamm Instituut en Oberon meldde een ruime meerderheid van de scholen meer concentratie (75 procent) en een beter sociaal klimaat (59 procent). Tegelijk noemden scholen meer werkdruk door handhaving en meer fysiek storend gedrag.
Let wel op wie hier rapporteert: dat zijn schoolleiders en docenten, niet de leerlingen zelf. Dat is een ander meetinstrument, met een eigen vertekening. Wie het verbod zelf heeft ingevoerd, ziet graag dat het werkt. Recent Nederlands onderzoek onder leerlingen (Vanluydt e.a., 2026) vond bovendien dat leerlingen op scholen met een volledig verbod zich minder verbonden voelden met hun docent.
Noorwegen laat een ander beeld zien. Onderzoeker Sara Abrahamsson koppelde gegevens over het telefoonbeleid van scholen aan administratieve gegevens over zorggebruik en cijfers. Omdat Noorse scholen hun verbod op verschillende momenten invoerden, had zij wél een vergelijkingsgroep. Na een verbod gingen meisjes minder vaak naar de zorg met psychische klachten, daalde het pesten bij jongens en meisjes, en haalden meisjes betere cijfers. Het effect was het grootst bij meisjes uit gezinnen met een lage sociaaleconomische status, en bij scholen met de strengste regels.
De Verenigde Staten leverden in 2026 het grootste onderzoek tot nu toe. Economen en psychologen, onder wie Angela Duckworth, onderzochten scholen die afsluitbare telefoonzakjes invoerden. Leerlingen stoppen hun telefoon bij binnenkomst in een zakje dat pas na schooltijd opengaat. De onderzoekers vergeleken bijna 1.800 van die scholen met tienduizenden vergelijkbare scholen zonder zakjes. Ze gebruikten niet alleen enquêtes, maar ook GPS-gegevens van telefoons, toetsscores en schooladministratie. En ze legden hun analyse vooraf vast.
De uitkomst sluit opvallend goed aan bij de Vlaamse cijfers, maar alleen in het begin. In het eerste jaar namen de disciplinaire incidenten toe en daalde het welbevinden van leerlingen. Daarna keerde het beeld: het welbevinden ging juist omhoog en de disciplinaire problemen verdwenen. Op toetsscores was het gemiddelde effect vrijwel nul.
Voor de Vlaamse discussie is dat belangrijk. De Vlamingen maten precies in dat moeilijke eerste jaar. Wat zij als ongunstig effect zien, kan een aanloopfase zijn. Dat is niet bewezen, maar het is wel een reden om met harde conclusies te wachten.
Het beeld is dus niet eenduidig. Wel valt iets op: onderzoek met een echte vergelijkingsgroep en objectieve gegevens (Noorwegen, de VS) is gemiddeld gunstiger dan onderzoek dat op zelfrapportage leunt. Wie zegt dat “het onderzoek” laat zien dat een telefoonverbod niet werkt, of juist wel, kiest de studie die hem uitkomt.
Waarom landen verschillen
Het mechanisme van de zelfdeterminatietheorie is waarschijnlijk universeel. Leerlingen hebben behoefte aan autonomie, verbondenheid en competentie, en een dwingende aanpak ondermijnt hun motivatie. Maar of een verbod als dwingend wordt ervaren, hangt af van hoe het wordt ingevoerd. Het Vlaamse rapport zegt dat zelf: strenger optreden hoeft niet demotiverend te zijn, het hangt ervan af hóé.
En daar verschillen de landen:
- Hoe de regel tot stand kwam. Vlaanderen koos voor een verbod bij decreet, voor de hele schooldag, van bovenaf. Nederland werkte met een landelijke afspraak die scholen zelf invullen.
- Hoe lang het al geldt. In Nederland geldt het verbod al ruim twee schooljaren. In Vlaanderen werd na één jaar gemeten.
- Wat er in de plaats komt. Vlaamse scholen boden minder pauzeactiviteiten aan. Op veel Nederlandse scholen gebeurt het omgekeerde.
De theorie is dus goed te generaliseren. De uitkomst van één beleidsmaatregel in één land is dat veel minder.
Wat betekent dit voor je school?
De aanbevelingen uit het Vlaamse rapport zijn bruikbaar, ook als je aan de conclusies twijfelt:
- Leg uit waaróm. Een regel zonder reden voelt als willekeur. Uit Engels onderzoek dat het rapport aanhaalt, blijkt dat minder dan de helft van de scholen uitlegde waarom hun telefoonregels er waren.
- Betrek leerlingen. Bijvoorbeeld via de leerlingenraad of een klassengesprek. Niet over óf er een verbod komt, maar over hoe het eruitziet.
- Structuur, geen controle. Duidelijke verwachtingen zijn prima. Persoonlijke druk en dreigen met sancties werken averechts. In Vlaanderen steeg juist de “dominerende” communicatie het sterkst.
- Vul het gat. Een pauze zonder telefoon en zonder alternatief is een lege pauze.
Wat kun je als docent Nederlands?
Dit onderwerp raakt leerlingen persoonlijk, en het debat erover is vol met stellige beweringen. Dat maakt het bruikbaar lesmateriaal.
1. Vergelijk de samenvatting met de tabel. Geef leerlingen een kernboodschap uit het rapport, bijvoorbeeld dat buiten school “eerder het omgekeerde” merkbaar is. Geef ze daarnaast de getallen en de vuistregel voor effectgrootte. Klopt de samenvatting met de gegevens? Hoe zou je het eerlijker formuleren? Dit is tekstverklaren en kritisch lezen in één.
2. Laat leerlingen koppen herschrijven. Laat ze bij hetzelfde onderzoek drie koppen maken: één voor een krant die tegen het verbod is, één voor een krant die ervoor is, en één die zo neutraal mogelijk is. Welke woorden verschuiven de betekenis? Dat is taalgebruik en framing zonder dat jij een standpunt oplegt.
3. Gebruik het debat voor argumentatieleer. Neem een stelling als: “Uit onderzoek blijkt dat een telefoonverbod niet werkt.” Laat leerlingen vragen beantwoorden:
- Welk onderzoek? Is er ander onderzoek dat iets anders zegt?
- Wat wordt precies bedoeld met “werkt”?
- Is dit een generalisatie van één geval naar alle gevallen?
Doe hetzelfde met de omgekeerde stelling, dan is het eerlijk.
4. Voer het gesprek over de regel zelf. Het Vlaamse onderzoek laat zien dat eigenaarschap ertoe doet. Een betoog- of discussieles over de telefoonregels op je eigen school is geen tijdverspilling. Het is misschien precies de interventie waar het rapport om vraagt. Leerlingen die hebben nagedacht over de voor- en nadelen, staan eerder achter een regel, ook als de regel niet verandert.
Kader: “significant” in drie zinnen
Onderzoekers noemen een verschil significant als het waarschijnlijk niet op toeval berust. Dat zegt niets over hoe groot of belangrijk het verschil is. Met genoeg deelnemers wordt ook een piepklein verschil significant. Kijk daarom altijd naar de effectgrootte: pas rond 0,2 spreken onderzoekers van een klein effect.
Tot slot
Het Vlaamse onderzoek bewijst niet dat een telefoonverbod zinloos is. De Nederlandse ervaringen bewijzen niet dat het werkt. Wat beide wel laten zien: de telefoon weghalen is het makkelijke deel. Wat een school ervoor in de plaats zet, hoe ze de regel uitlegt en of leerlingen erachter staan, bepaalt waarschijnlijk meer dan het verbod zelf.
Dat is geen conclusie voor een pakkende kop. Maar wel een waar we morgen in de klas iets mee kunnen.
Bronnen
- Van de Casteele, M., Bradt, L., Ponnet, K., Soenens, B., & Vansteenkiste, M. (2026). Een eerste evaluatie van de werking van het algemene smartphoneverbod in Vlaamse secundaire scholen. Gent: Centrum voor Ontwikkelings- en Motivatiepsychologie, UGent.
- Kohnstamm Instituut & Oberon (2025). Monitoring landelijke afspraak mobiele telefoons en andere devices in de klas. Eindrapport. In opdracht van het ministerie van OCW.
- Allcott, H., Baron, E. J., Dee, T., Duckworth, A. L., Gentzkow, M., & Jacob, B. (2026). The effects of school phone bans: National evidence from lockable pouches. NBER Working Paper 35132.
- Abrahamsson, S. (2024). Smartphone bans, student outcomes and mental health. NHH Discussion Paper SAM 01/24.
- Vanluydt, E., Van Den Eijnden, R., Vonk, L. e.a. (2026). Disconnect to reconnect: How variations between types of smartphone bans influence students’ well-being and social connectedness in Dutch secondary education. Journal of Youth and Adolescence, 55(3), 551–569.
- Randhawa, A., Pallan, M., Twardochleb, R. e.a. (2025). Secondary school smartphone policies in England. Journal of Research on Technology in Education, 57(5), 1113–1132.
